Schilderijen als hechtingen in een baarmoederlijk weefsel, Florent Minne (1991)

Een zichzelf opladende en vlijmscherpe schriftuur, een gelaagd, zich steeds verder accumulerende en corrigerende opbouw, een doorwrochte kleurtactiliteit en een iconografie van het belaagde, gekwetste, opzwellende en suggestief-erotische lichaam, het zijn de constanten die zich als een rode draad weven doorheen het vitalistisch picturalisme van Philippe Vandenberg. Zijn experimenteel gestuwde beelzetting, zijn terribilità in de aandrift, en zijn zoekend-zelfzekere poëzie zijn de animatoren van een schilderproces waarin elke vorm van zacht inschikkelijkheid terstond wordt verbrand. Het sabelhouwen met een wrange thematiek en een daaruit voortvloeiende beklemmende resonantie van het beeld worden terloops ingeruild voor ruime, in de diepte van het doek geopende, informeel-abstracte “landschappen”. Steunend op de verbondenheid van licht en ruimte schrijven ze inhouden uit die verwijzen naar gevoelssituaties en doorleefde ervaringen.
Deze terugkerende constanten in het œuvre van Vandenberg zijn echter geen geijkte en in permanent evenwicht gehouden deelelementen. Ze fungeren als parameters in een werkproces, als geleiders van een Ausdruckskunst, waarbij de exploderende aandrang en de voluntaristische golfslag, verlangend en weifelend tegelijk, de ultieme horizon uittekenen van het te bekomen beeld. Elke “suite” van schilderijen heeft aldus haar eigen afgewogen spankracht, haar specifieke kleurbalans, haar wisselende harmoniëring en haar geëigende exploratie van de basiselementen kleur en materie.
De schilderijen van 1989 en begin 1990 waren een radicale breuk in de voorstellingswereld van Vandenberg. Doorheen een iconografie van honds verlangen, geile domheid, mutilerende agressiviteit, grijzende loensheid en kluchtige nonsens werden, in een syncopische beeldzetting, de morbide autoritaire belagers van de soevereine kunstenaar (en het soevereine individu), dwingend herkenbaar en symbolisch, publiek terechtgesteld. Als sublimerende folteraar verhaalde de kunstenaar het gevecht met de (gevallen) engelen. Het was een gevecht dat noodwendig moest leiden tot een emotioneel geladen zelfportrettering, een reflecterende heling van de opgelopen wonden. Nadat de “heren” hun zoon voor Moloch door het vuur hadden laten gaan, nam het kwaad geëxorciseerd afstand tegenover wat zich opdrong als nieuwe afspiegeling van het leven.
Na de Golgotha, na het voorbijtrekken van het peloton van de gefusilleerden, is aldus de foetus gegroeid van het nieuwe individu. Embryonaal uitgetekend, in een stadium van zichzelf overgevende gelatenheid, nestelt zich de nieuwgeborene in de vlezig-rijpe materie van een rozig-rood geraamte. Middenin het beeldveld puilt het oog als beklemmende observator van de buitenwereld. Tussen hompen vlees en baarmoederlijk weefsel bijt een opengesperde mond van zich af. Stompen tekenen zich af en lichaamsvormen liggen ingebed in een lillend wit en vleessappig-weke bevlezing. Arm, gekwetst, gekruisigd, ontveld en rauw, opengescheurd, gevild en bloederig, herontdekt de kunstenaar het schilderen als een explorerend tactiel gebeuren. De schilderkunst ontstaat opnieuw. Snijdend-scherp vervoegen de naast en over elkaar heen liggende, kort-gespierde penseeltrekken het netwerk van een zich stilaan aftekende structuur. Het schilderij wordt een weefsel van kort gehouden aanzetten, smeuïg aangestipt en diep ingeprent. Bovenop de staccato-aanzetten van valk uitgesmeerde mestrekken openen zich aureolen als gezichten van nieuwe gevoels- en denkwerelden. Het doek is een landschap van opengereten, maar opwelmend leven. Open, doorzichtig en weids schuiven vlakken over elkaar heen. Dieper dan vroeger worden terreinen ontgonnen, cellen opengewerkt, grond omwoeld. De verf toont haar fysische structuur, haar botten en haar bevlezing, haar weefsel en haar bezenuwing. Naakt, evident en heelkundig-koel toont de kleur haar beklemmende ritmiek, haar schelle resonantie, haar felle bewoording. Schilderen wordt een uitschrijven van een metrische tektoniek, een coloristisch absorberen van het leesbare motief.
Teruggekaatst tot verhevigde uitdrukking van kleur, ritme, opbouw en verhouding heeft de schilder de figuratie van zich afgeduwd als de thans niet meer aanvaardbare incarnatie van de autoriteit, als de té ontwijken vaderfiguur, die moordend waarachtig te kijk moest worden gesteld om aan de kunstenaar de kans te laten zichzelf te (her)ontdekken als het geweten van zich immanente opdracht.