Dagboek (2007)

Het vluchtige, het urgente tekenen: juist om de weg uit te leggen. De tekenaar gedachteloos, emotieloos. Als de bliksem de essentie vatten. Afwezig en toch één en al ‘zien’.
Mobiele notities.
Soms komt het. Eenvoud. Geen tijd voor franjes. Maar het moet er wel staan: razendsnel de werkelijkheid op de staart trappen en haar binnen de vier grenzen van het metalen blad dwingen en dat ene moment, net vòòr ze ontsnapt – ze muteert onophoudelijk, kwikzilveren zenuwkluwen – de naald erin…

De nagel. De stalen naald. Kunt ermee verwonden, ermee doden: één eevoudige steek op de juiste plek. Het zuur dat bijt. In het bad ligt het onbewegelijk, maar het knaagt onder het rimpelloos, onzichtbaar dampend oppervlak aan de man zijn ziel, nu een koperplaat.

De traagheid. De traagheid van het etsen, sinds Rembrandt onveranderd. Ik moet het halen met archaïsche, rituele technieken. Metaal zuur steen olie kool.
Stug en onvoorspelbaar drijven ze de spanning op. En wat is boeiender dan het onbetrouwbare?
Goya etste de snelheid van kogels. Dwanggedrag is het: een ‘motief’ en een ‘manier’ te koppelen, die averechts tegen elkaar indraaien.

Eén shot geklemd binnen de onuitgroefbare griffels in het zink. Zinken.
De triomf van het accident. Golgotha in Sint-Jans Molenbeek.
Ook hier is niets definitiefs.
Pogen. Welja.