Alles van waarde is weerloos (1995)

“Alles van waarde is weerloos” (Lucebert)

Op weg hier naartoe, vroeg ik me af wat te vertellen over schilderkunst aan jonge schilders. Hoe kan je iemand die besloten heeft de weg van de schilder op te gaan iets wijzen, iets tonen? En wat kan je hem/haar tonen? En is dat, wat je toont, hetgeen hij/zij nodig zal hebben? In welke mate, en hoe kan hij/zij erbij komen?

Ik heb ca 4 jaar lesgegeven als jonge mens en jong schilder. In 1986 ben ik gestopt om twee redenen:
– Ik besefte dat mijn leven op mijn atelier “gebeurde” en dat het gevecht dat ik daar moest leveren, het obsessionele avontuur van het schilderen, niet te combineren viel met de (maatschappelijk) veilige positie van het leraarschap. Het ene stond het andere in de weg.
– Bovendien besefte ik dat ik de problematiek van het schilderen eerst voor mezelf moest oplossen vooraleer ik de verantwoordelijkheid kon opnemen het aan iemand anders te onderrichten. Het is niet omdat je studies schilderkunst gedaan hebt, en een diploma gehaald hebt dat je iets weet over het schilderen, laat staan iets te vertellen hebt.

Sinds 1986 leef ik teruggetrokken, en naast vrij regelmatige tentoonstellingen, werk ik in eenzaamheid – zo hoort het – verder aan een oeuvre.
Na al die jaren werken aan en denken over het schilderij is de problematiek van het schilderen alleen maar complexer geworden. Hoe dieper ik graaf, hoe verder ik mezelf riskeer, hoe scherper ik mezelf stel, hoe oneindiger en gevarieerder de schilderkunst en haar fundamenten worden; en vooral hoe minder controleerbaar.

Ik vrees dat ik er nu nog minder kan over zeggen dan 15 jaar geleden toen mijn zekerheden nog voor en in de hand lagen en ik me kon redden als leraar door technische snufjes te etaleren en vaste spreuken te citeren.
Nu kan ik jullie alleen maar zeggen: ik heb geen antwoorden. Ik heb geen oplossingen.
Eigenlijk is het nog erger geworden: ik kan zelfs de juiste vraag niet formuleren, noch het probleem dat zich op weg naar het schilderij voordoet juist duiden.

***

De weg van de schilderkunst is een onberijdbare weg. Soms is de weg slechts een pad, waar men te voet op voortschrijdt, langzaam, soms vallend, soms kruipend, soms terugkrabbelend, soms door een zijpad totaal verloren gerakend, maar nooit is een einde in zicht, een aankomst.
We weten allemaal dat de weg ons ergens heen leidt, dat is het. Maar waar naartoe weten we nooit. Elk schilderij, elke tekening is slechts een paaltje langs de weg, soms een wegwijzer. De zin van de weg is de weg zelf.
Daar waar ik als jong schilder dacht vrij te zijn, het schilderij te kiezen en het zowel qua vorm als qua inhoud naar eigen gril en keuze te kunnen manipuleren, besef ik nu mijn vergissing: het is het schilderij dat mij kiest; ik kan alleen maar één schilderij maken namelijk datgene dat al altijd in mij aanwezig is en dat schilderij kan ik maar op één enkele manier schilderen. Oneindig talloze mogelijkheden in mijn hand, slechts één oplossing in mijn hart en ziel en geest. Een oplossing die ik niet ken en misschien kan vinden, zoals een blinde een lichtstraal. Een blinde schilder…
De schilder is niet vrij, hij heeft zijn lot in handen, maar hij is wellicht de meest onvrije mens.

Nu kan je zeggen: als de schilder toch maar één schilderij kan schilderen, dan is het probleem van de keuze toch opgelost? Het “spijtige” is dat hij niet weet welk schilderij het is en hoe hij het zal schilderen.
En hier zou in een boksmatch de gong slaan, maar voor de schilder is er geen redding door de gong.

***

Schilderen is geen ambacht, geen job, geen beroep, geen carrière. Schilderen is een levenshouding en de daad (van het schilderen) zelf (in de beperkte zin) is een medium, een discipline.
Het maken van het schilderij, de technische bagage die de schilder ervoor gebruikt is slechts een onderdeel (zij het wel belangrijk), een uitrusting, een handeling die de houding van de schilder ondersteunt en richt. Dus kunnen (schilderen) is verre van voldoende.

“Schilder zijn” betekent dat je dat altijd bent niet alleen als je voor je doek staat. (Een boeddhist is niet alleen boeddhist terwijl hij bidt, het is zijn hele levenshouding.) Schilderen houdt nooit op, je bent het als je kookt, als je vrijt, als je wandelt, als je praat, etc. . . , kortom niet alleen je hele zijn is ervan doordrongen maar ook de totale wisselwerking tussen jou en de wereld (kosmos etc…). Je bent altijd schilder en de manier waarop je aankijkt tegen de dingen, hoe je de dingen doet, alles speelt een rol tot je meest onbelangrijke en schijnbare overbodige gestes en gedachten.
In ALLES zit wat je hoognodig hebt om tot het schilderij te komen (ook de slechte dingen, de negatieve gebeurtenissen, de mislukkingen, het hopeloze geknoei en gescharrel dat het leven soms is, voeden de schilder).

Schilderen is geen carrière, geen loopbaan. Het gevecht op het atelier en de wedren op de kunstscène zijn twee verschillende zaken. Zij kunnen allebei op een bepaald moment in het leven schijnbaar samenlopen, maar laat je niet vangen! De “Buitenkant” (bv. het succes, het verkopen van werken, het “belangrijk gevonden worden”) kan efficiënt zijn om bepaalde behoeften te vervullen, de materiële noden te lenigen, het ego te strelen; maar koester je “alleen zijn” en volg alleen je eigen weg. Wat moet komen zal komen.
Alleen het schilderij kan de schilder sterken. Al de rest voegt er in essentie niets aan toe; integendeel, indien de schilder niet sterk genoeg staat zal de “buitenkant” hem vernietigen, zelfs zonder dat hij het beseft.

***

Schilderen is een visuele kunst. T.t.z. “het beeld”, “het geschilderde” komt via onze ogen in onze ziel terecht en omgekeerd.
Het opbouwen van een “beeld” vergt een techniek, een bagage en een ermee handelen.
Een “techniek” betekent niet een afgebakend “klassiek” pakket dat in iedere academiestudent volgens een vierjarenplan geïnjecteerd wordt. Een technische bagage is niet voor ieder gelijk. Ieder kunstenaar zal zijn eigen techniek opbouwen volgens zijn noden, zijn moed, en zijn capaciteit om door te dringen in de dingen.
Zonder technische vorming bestaat het materiële resultaat van het schilderen niet. Een gebrekkige technische vorming kan de schilder tegenhouden en frustreren.
Bijvoorbeeld: als je het naakt niet naturalistisch kunt weergeven, zal je ook niet de visie erop kunnen weergeven. Je kan niet interpreteren, vervormen wat je niet kent (en kunt). Dat geldt ook inhoudelijk: de schilder moet kennen hetgeen hij schildert en weten hoe de vorm ervan is.

Je kunt schilderijen dromen, maar om ze een bestaansrecht te geven, moet je ze op doek of papier kunnen plaatsen; om tot de communicatie die schilderen tenslotte is te kunnen overgaan.
De techniek speelt een belangrijke rol in de stappen die de schilder zet. Hoe meer kennis op dat vlak, hoe meer kans hij heeft dieper te kunnen graven, persoonlijker te kunnen werken.

Een te beperkte technische bagage is een armoede; maar word geen dienaar van je techniek; word geen circusartiest die steeds maar moeilijker capriolen uithaalt en tenslotte een omhulsel maakt, waarvan hij de ziel onderweg al lang verloren is. Virtuositeit kan een afstomping worden en techniek mag geen camouflage worden voor inhoudloosheid.

***

Teken, teken, teken!
Zorg dat tekenen wordt zoals spreken, kijken, voelen, ademen. Zorg dat je doordrongen wordt van het tekenen; dat je tekenen bent zoals de vliegende vogel lucht, de zwemmer water. Vereenzelvig je met de dingen via de tekening, en ze zullen je hun ziel tonen.
De vorm en de ziel van hetgeen je schildert en tekent, voeden je schilderij en eerst jezelf. De tekening is de meest elementaire plastische kunstvorm en de basis van al de rest. De tekening is er voor het schilderij, voor de skulptuur. Ze is oer.
Alles is de moeite waard getekend te worden. Word de dingen, mik er niet op.
Als je het doel wil raken, is de houding belangrijk, niet het mikken (cfr. de Zenboogschutter).

***

Een schilderij is vorm én inhoud.
Een schilderij zonder inhoud is even “leeg” als een schilderij zonder vorm.
De vorm draagt het idee. Het idee zal de vorm beïnvloeden. Bijvoorbeeld: de schilderijen van Goya zijn dramatisch van inhoud, maar ook zijn palet, zijn compositie, zijn lijn ondersteunen de dramatiek van het idee. De impressionisten daarentegen hadden een andere vormgeving en vooral palet nodig om de luminositeit en de sensuele natuurlijkheid van hun motieven te benadrukken.

De schildersdaad zelf is een medium tussen de schilder en zijn motief (onderwerp), zelfs een discipline, maar hetgeen de schilder voedt, hem aanzet tot schilderen, hetgeen hij “te zeggen” heeft, haalt hij niet uit het schilderen, maar uit zijn leven. Schilderen om te schilderen bijna uit “schildersgenot” kan stimulerend zijn maar blijft niet vruchtbaar. Men heeft nood iets te “doen” met het schilderen, nood aan een inhoud, een boodschap, een verhaal, iets “overbrengen”.
Daarom: voed jezelf. Lees, reis, raak alles aan, laat je aantasten, eet, bid, heb verdriet, revolteer je, geniet, wees verwonderd en vooral, vooral nieuwsgierig. Niets is te min, alles voedt de schilder en dus het schilderij.

***

Schilderen is het gevecht met de Engel. Een gevecht met de Engel kan je niet winnen, maar het maakt je sterker voor het volgend gevecht. De Engel is de schilder zelf. Het gevecht is tegen en met jezelf. Een schilderij kan de schilder een stap verder helpen. Bepaalde schilderijen verruimen de visie van de schilder op zijn leven en de “wereld”.
Bepaalde schilderijen staan verder dan de schilder op het ogenblik dat hij ze schildert en dan moet hij het schilderij inhalen. Wij kunnen een schilderij mislukt vinden en het jaren later als een prachtwerk ervaren (en vice versa). Het wachten is belangrijk, soms belangrijker dan het “werken”.

Een mens is al de gevechten die hij levert; diegene die hij wint, maar ook diegene hij verliest. Men maakt niet alleen goede schilderijen, je moet ook mislukken, vernietigen, vallen om terug op te klimmen. Een mislukt schilderij kan ontmoedigend en frustrerend zijn; maar toch draagt elk mislukt werk iets bij dat van nut zal zijn voor een later “gelukt” schilderij.
Een “mislukking” draagt al een “lukken” in zich, al is het dat je leert wat je niet meer wil. Zo kan je stellen: ik weet niet wat ik wil schilderen, alleen maar wat ik niet meer wil.

Je draagt alles wat reeds voor je geschilderd werd, in je. Je bent het “produkt” van de kunstgeschiedenis.
En na het oplossen van het technisch probleem (het leren tekenen en schilderen, de daad) en de afrekening ermee om tot een eigen “stijl” te komen, komt de afrekening met de “voorvaderen”. De bewondering voor en de gevoeligheid aan het oeuvre van een meester kan een stempel drukken op het oeuvre van een jonge schilder.
Beïnvloeding kan tot kopiëren gaan en tot een bepaald punt is dat o.k.
Ieder jong kunstenaar wordt ook gevormd door de invloeden van meesters waarmee hij zich kan vergelijken. Een soort vaderfiguur, die tenslotte moet “vermoord” worden, opdat de jonge schilder “leve”.
Dat is na de technische opleiding een tweede grote stap : de sprong naar de eenzaamheid. De dubbelzinnige veiligheid van het “vergelijken” verdwijnt. De oude meester(s) kijk(t)(en) niet meer over je schouder mee. Je bent alleen en niemand buiten jezelf kan beslissen over je schilderij. Er is geen vergelijk meer mogelijk, geen zekerheid buiten je eigen overtuiging om te beslissen over het schiIderij. Eindelijk: het alleen zijn.

***

Schilderen is aanvankelijk een daad van bevestiging: ik schilder dus ik besta.
Het is een vorm van communicatie.
Daarna wordt het schilderen een daad van bezwering (de afschuw), een daad van verlangen (de liefde).

***

Als westerlingen zijn wij opgevoed in deze late jaren van de 20e eeuw met de vragen: wat?, waarom?, hoe? De obsessie van de analyse.
We willen weten, begrijpen, vasthouden omdat dit ons een gevoel van veiligheid geeft en een gevoel van macht. We vergeten dat we – als mens  – het mysterie nodig hebben, en daarenboven een mysterie zijn.
In al die jaren schilderen heb ik begrepen dat het schilderij niet alleen een weergave is van een doorleefde realiteit maar ook en vooral een metafoor voor het mysterie (cfr. het onzegbare).
Het mysterie voedt mij, brengt mij tot kennis, tot reflectie en dwingt me tot “geloof”.
Aanvaard het mysterie in het schilderij en koester het. Je hebt mysteries nodig om het schilderij en dus ook jezelf te doen functioneren.
Het beeld is een manier om het mysterie te duiden, even aan te raken (het onzegbare).
We moeten luciede blijven, sentimentaliteit vermijden, de dingen onderzoeken rationeel en emotioneel; maar zorg ervoor dat je het mysterie niet tracht te “pakken” zoals je een ajuin ontmantelt laag na laag, tot na de laatste pel er niets meer is.
Als we het mysterie aantasten, omwoelen of denken te doorgronden, verdwijnt het, lost het op en laat ons armer achter, terwijl we denken rijker geworden te zijn.

***

Alles wat je schildert is een metafoor.
Bijvoorbeeld: een prachtig schilderij is niet “de waarheid”. Het is een metafoor voor, een zoektocht naar de waarheid. Ze “staat” voor het ware.
Het schilderij drukt de schilder in zijn totaliteit uit. Heel de mens Goya is in elk van zijn werken aanwezig. Een schilderij dat specifiek over één zaak gaat, kan anekdotisch worden en irrelevant (bijv. porno, propagandakunst) De manier waarop je de dingen schildert is natuurlijk heel belangrijk, maar ook de intelligentie waarmee je dat doet: je risico’s, je diepgang, je alleen zijn, je vernietigingen, je scherpte, je lucide denken etc…
En vooral zal dit alles afhangen van hoeveel moed je hebt. De vraag is ook: Hoever ga ik, de schilder? Hoe ver kan ik gaan voor ik val? Hoever reikt mijn macht om het schilderij waarachtig en uiterst scherp te stellen? Hoever kan ik het schilderij stellen, duwen, zodat het op de uiterste rand van de afgrond (de mislukking) toch prachtig en op een geheel eigen “manier” functioneert?
De schilder is niet vrij, maar hij heeft zijn eigen lot in handen.
De schilder wordt geschilderd.

***

De controle over het schilderij: Ik weet niet op voorhand wat en hoe ik het schilderij zal maken. Ik weet alleen wat ik niet meer wil. Vele “dingen” gebeuren in het schilderij zonder dat ik ze “wil” doen gebeuren (gedirigeerd toeval). Je kan dit verwerpen of aanvaarden.
Laat het schilderij los: het zal de schilder leiden.

***

Elk schilderij wordt gevoed zowel door de ratio (hoofd) als door de emotie (zenuwen) van de schilder. De proporties van deze twee “motoren” bepalen de schilder en zijn resultaat.
Wij zien schilders die meer “emotioneel” dan “cerebraal” schilderen, bijvoorbeeld: de Barok, de expressionisten, Cobra… en omgekeerd schilders bij wie de ratio een grotere rol speelt dan de buik (de emotie, het “zenuwstelsel”) bijv. de Renaissance, de surrealisten, de conceptuele kunst,.. Nochtans blijven “hoofd” en “zenuwen” altijd samenwerken aan schilderij en zowel bij Van Gogh als bij Magritte, zij het op ongelijke schaal.

De cerebrale schilder die – in het extreme geval – alleen nog zijn hoofd zal gebruiken beperkt zichzelf en zijn œuvre evenveel als de emotionele extremist (de “buik”schilder) die zonder een minimum aan “cerebrale directie” in het moeras van de sentimentaliteit en de oppervlakkige “geste” zal verzinken. Gebruik uw hoofd en uw gevoelens. Gebruik uw totaliteit.

***

Schilderen kan omschreven worden als: van verf (materie) licht maken.
Ik wil hier wijzen op de dualiteit van de ziel (het licht) en de materie (de modder), eigen aan het “menselijke zijn” en hoe de schilder poogt deze eenheid te brengen in het schilderij; (weer een metafoor).
Let erop hoe prachtig schilders hierin geslaagd zijn, bijvoorbeeld: de late Velasquez, de late Picasso. Hoe subliem is het licht te geven aan de modder; ik denk dat dit het sterkste beeld is dat een schilder van en aan mens(heid) kan geven.

Amsterdam – Gent, maart – april 1995