Beste Jan (1995)

Beste Jan,

Betreffende JOB XIII, 12 schrijf ik je nog het volgende:

De originele tekstversie van de Leidse protestantse vertaling (zeer dicht bij de bron) luidt:

Uw kernspreuken zijn spreuken van as,
Uw schansen lemen schansen

(cfr. Frans: Vos sentences sont des sentences de cendre
Vos retranchements des retranchements de boue.)

Ik heb gemerkt dat andere vertalingen en bewerkingen deze prachtige verzen verminken, ook qua inhoud, en het beeld deels ontkrachten. Zou het mogelijk zijn bij publicaties i.v.m. de tentoonstelling deze versie van de originele Leidse bewerking te citeren?
Het is trouwens in die vorm dat het vers me leidt in leven en werk.
In een gebrekkige vertaling wordt het motief gratuit en vrees ik voor een té vlakke en té esthetische interpretatie.

Deze verzen zijn geen statement tegen het woord, integendeel. Zij verwerpen de holte, de leegte en de leugen waarin de mens -in zijn verbijstering om zijn lot -zich verbaal en materieel wentelt; om niet alleen aan het besef van zijn eigen nietigheid te ontsnappen, maar ook aan zijn pijnlijke luciditeit, zijn verantwoordelijkheid en de moed – de ‘courage’ – om deze te dragen. Daarentegen, het geladen woord is en zal altijd blijven.

Zoals bij alle Bijbelse metaforen zijn deze verzen natuurlijk toepasselijk op elke menselijke houding en activiteit, alsook op de kunst. Maar dit domein op zich – ik bedoel afgegrendeld van het leven – is mij te smal.
Schilderkunst is voor mij een medium, een levenshouding dat mijzelf situeert in en t.o. de ‘condition humaine (avec ou sans dieu)‘. In die zin is kunst die zichzelf onderzoekt of zichzelf als thema ‘behandelt’ überhaupt steriel. Een kunstenaar zou in dit geval zijn zoals een geneesheer die de geschiedenis van een ziektebeeld (of van de geneeskunde) behandelt, terwijl de patiënt nood heeft aan genezing.
Ik zou willen dat uit deze verzen en uit het werk blijkt dat het hier, via het medium kunst gaat 6m de mens en zijn moeilijke en soms prachtige gevecht, en de moed die hij ervoor nodig heeft.

1. Uw kernspreuken zijn kernspreuken van as.

Het betekent voor mij dat de mens in zijn ijdele zoektocht naar een bestaanszin, naar enige zelfbevestiging of zelfbelang tal van ‘discours’ opbouwt die broos, steriel en inhoudloos zijn. Les discours contre le mystère. Iets opbouwen uit as, wat een vergeefse en stupide onderneming.

Prachtig is dat toch geformuleerd en zo fundamenteel toepasselijk op wat de mens is, was en altijd zal blijven: een stomperd, die zich door zijn ideologisch (de kernspreuken) en rationeel (de lemen verschansingen) vernuft een zekerheid tracht te geven; een zin aan zijn leven, lijden en dood. Alzo Jobs fulmineren.

De Heroïsche revolte van Job, zijn woede wordt opgewekt door de vraag:

1. Waarom lijden en sterven?
2. Waarom is God niet rechtvaardig?

Ondanks de ongelooflijke technische en materiële evolutie van onze tijd staat de hedendaagse mens geen stap verder dan Job. De “lemen” verschansingen waar Job het over heeft zijn allang vervangen door fenomenale creaties en uitingen van het menselijke vernuft.

Maar nog lijdt de mens, en sterft hij en vindt geen antwoord op zijn prangende vraag (aan God?): waarom?
De moderne mens is nog wanhopiger. Hij, die door tal van filosofieën, ideologieën, religieuze, politieke, sociale en culturele overtuigingen laveert en tenslotte crepeert als een worm na zijn eigen nest een leven lang bevuild te hebben.
Dat zijn de kernspreuken van as.

As is wat overblijft na verbranding; verbranding of verrotting van iets dat levend was, of utiliteit had en nu onbestaand is. As is wat de mens al is, voor hij het wordt.
De mens is as, en al wat hij voortbrengt, al wat hij verwezenlijkt, innerlijk (de kernspreuken) of uiterlijk (de lemen schansen) is as.

Het vreselijke geschenk der God(en) is dat we in staat zijn mits wat luciditeit en wat moed, de absurditeit van ons bestaan te beseffen en een zekere moraliteit (beschaving?) te creëren om dit besef draagbaar te maken. We hebben net genoeg talent (gekregen) – ik bedoel intelligentie, instinct, ratio, gevoel, intuïtie, etc… om ons probleem in te zien, (af en toe te laten formuleren door een genie); maar niet genoeg om het op te lossen. Dat is het vreselijk geschenk en daar is Job woedend om.
Wij zullen altijd God nodig hebben, al is het om hem te vervloeken om onze imperfectie.
Zolang er mensen (zullen) zijn, blijven er kernspreuken van as.

Des te erger is het gesteld met de hedendaagse mens (t.o. de ‘primitieve’ en emotionele Job), die zich aan zijn ratio* vastklampt als een drenkeling aan een drijvend hondenkreng. (De ratio die in al zijn overtuiging, zijn ijdelheid, zijn bombast, onderzoekt, demystificeert, ontleedt, toegankelijk wil maken, aan banden legt wat niet te ‘vatten’ is). Kortom zichzelf in een soort veiligheid wilt brengen die hem verhindert de as te doorwoelen die de enige realiteit is en de enige aanzet zou kunnen zijn tot het zoeken naar een hogere betekenis: God?

[* Ik verwerp de ratio niet, verre van.
Ik beschouw de ratio als een prachtig instrument, een kracht, soms een techniek dat me, naast de krachten van mijn ziel, naast de krachten van mijn hart, helpt op mijn zoektocht.

Indien we ons echter alleen door de ratio laten leiden en het rationele ais maatstaf gebruiken om ons te ‘beveiligen’ tegen de ‘mysterieuze’ krachten van het hart dan wordt de ratio hier een leugen, een lafheid.

Laat ik de ratio gebruiken ais een vriendin die me raad geeft, maar niet als een cipierster van mijn ziel. Alzo Job.]

Twee voorbeelden – twee ingrepen van de ratio gevoed door de kernspreuken van as: – hoe banaal is het ritueel van de mis geworden sinds de priester deze rituelen zichtbaar uitvoert, en God blijkbaar Nederlands praat.

Menig mens zal hiermee het geloof in het mysterie via het ritueel verloren hebben en terecht. Het geloof wordt gevoed door mysteries. De ratio verzet er zich tegen: de oerkracht van het mysterie is dreigend. Geef de mens mysteries terug! – hoe steriel is kunst geworden, die zichzelf onderzoekt, de kunstgeschiedenis ais motief gebruikt, de kunstanalyse tot creatie poneert.
Waar blijft hier de magie, de ongedefinieerde kracht, het omwoelen van ‘s mens onbewuste, de bezwering, de uitdrukking van verlangen en de moed -de courage-die we putten uit onze rituelen en onze creaties?
Geef ons mét de mysteries, de moed terug de ongecontroleerde – zelfs duistere – krachten, in het woord en in het beeld.
(Het schilderen is een ritueel, het schrijven is een ritueel; maar ook het zich disponibel stellen, het zich overgeven aan een kunstwerk ais kijker, ais lezer, ais luisteraar, ais denkende mens, is een ritueel)

Zo onderga en bedoel ik de kunst: via de uitdrukking van het mysterie de mensen geloof en moed geven.

2. uw schansen, lemen schansen

Net zoals as is de leem (de modder) zonder fundament. De kernspreuken van as worden ‘beschermd’ door modderen verschansingen. Bovendien verbergen deze tevergeefse schansen de even vergeefse assen woorden, want deze zijn schandelijk en dom. De overtuigingen van de ratio, de bewijsstukken van de ‘weten’schap’ worden recht gehouden door redeneringen op lemen voeten. Redeneringen die instorten bij de minste intuïtie, de minste luciditeit, bij het minste besef van de weerloosheid van de mens t.o. lijden en dood en t.o. het ‘zwijgen van God’, en bij de emotionaliteit die eruit resulteert.
(Ik ben gefascineerd door foto’s uit de loopgravenoorlog 14-18. Het is een Bijbels Job-beeld: mensen, in de modder verschanst, gevoed met eigen en vijandige ideologieën, roeien elkaar uit…)

Eens de luchtbel van de ratio doorprikt verwaait alles tot as.
Eens de lemen schansen ingestort, ploeteren we in de modder.
De modder is tenslotte de enige realiteit. Hoeveel prachtige schilders – Rembrandt, Goya, Picasso … – zijn ‘geëindigd’ in de modder ais subliemste uitdrukking van het menselijke zijn in al zijn grootheid. Hoe groot is de mens in nietigheid! De grootheid ligt in het aanvaarden van de modder; daar begint de ‘waarachtigheid’.
Job is groot in zijn revolte en wordt waarachtig in zijn aanvaarding van de modder. Dat is de kunstenaar die het meesterwerk creëert. De schilder kruipt naar de modder.

De grote eenzaamheid van Job is dat zijn entourage (de maatschappij) hem tot rede en berusting wil brengen – een rede die de veiligheid en orde garandeert – en dat Job beseft dat God niet redelijk is en niet in een welomlijnd stramien te vatten is.
Alzo de eenzaamheid van de schilder.

Ik denk niet dat Job een anarchist is, daarvoor vreest hij God te veel en terecht (God pakt hem zeer hard aan); maar hij beseft dat de zoektocht naar het Goddelijke een individuele intuïtieve en zelfs emotionele onderneming is, losstaand van de wetten, de opgelegde disciplines en de zekerheden van een systeem, zo nodig om de moraliteit – fundament van de menselijke samenleving – in stand te houden.
De ziener is ongebonden.
Alz0 de eenzaamheid van de schilder.

God moet Job wel antwoorden, omdat Job God in vraag stelt. Door zijn twijfels, zijn kwetsbaarheid, zijn woede, zijn oncontroleerbaar verdriet, zijn moed raakt hij het mysterie, daar waar zijn ‘redelijke’ medemensen op respectabele afstand blijven van het goddelijke. God antwoordt Job en zal hem blijven antwoorden, omdat Job de kernspreuken van as en de lemen schansen aan zijn laars lapt. En terecht.
Alzo de schilder in zijn eenzaamheid.

Voilà, Jan, enkele ‘onaffe’ bedenkingen bij Job XIII, 12, koortsig neergepend in de marge van mijn tentoonstelling.
Er is zó veel van ons in Job en wij zijn zó veel Job.
En zo zal de mens, dat verschrikkelijke sublieme onvolmaakte en ontoereikende wezen altijd blijven dolen; op zoek naar dat andere deel, dat verloren deel van hem, zonder het welke we nooit het paradijs terug in kunnen.

Het enige dat ik kan doen is enkele schilderijen maken en deze verzen aan mijn kinderen doorgeven.

Vriendelijke groet & tot weldra,

Philippe Vandenberg.