Brief aan de neger (2003)

Zoals ik kind was, zo ben ik lang schilder geweest.
Bij gebrek aan moedertaal ben ik het schilderij binnengetreden om de vragen, de eisen te formuleren.
Maar waar vond ik, eens de vragen gesteld, de eisen geformuleerd, antwoorden? En zo werd ik een schilder van versperringen. Schilder van het exil. Schilder van grote kruisigingen, versperringen binnen in het doek, die de gave huid van het schilderij scheuren. Ben ik nog onschuldig?

En nu, met het mes nog dichter op de keel, nu al het zeggen gezegd is – zonder enig resultaat -, de bluf van het geluk met leugens is doorzeefd, nu geen enkele strategie ons nog kan helpen de waanzin te overstijgen en alleen de imbecielen veinzen geen schrik te hebben, nu dringt zich de vraag op: ‘Zijn wij mislukte schilders?’
Hoeveel zijn er trouwens die begrijpen dat schilderen betekent: afhankelijk zijn van iets dat buiten onszelf is?

Ik hou alleen nog van negers, de negers van het schilderen.
Die van accident naar accident struikelen. De zwervers, de analfabeten, de visionairen, de gebrekkigen, éénogigen, kreupelen, de krokodillen in de woestijn. De verwonderden, de ontstelden. Die, als de bomen, aan hun sappen lijden en niet het vallen van de bladeren voelen.
Zijn wij nog onschuldig?

De neger is onschuldig. Hij heeft zijn slag niet thuisgehaald: de penseeltrek die een schilderij borstelt zoals het hoort. In die zin is hij een mislukt schilder, zoals ik. Hij is op het juiste moment opgehouden met te doen wat van hem werd verwacht.
Het mogelijke was toen ontzettend geworden.

Op de hielen gezeten door zijn picturale dyslexie, zijn onvermogen om te zwelgen in het weelderige beeld (die licht bedorven schilderkunst die men alleen maar ‘peinture-peinture’ heeft kunnen noemen), gekweld door zijn autodidactenpaniek bij het zoeken naar kennis die hij noodzakelijk achtte, maar die hem tenslotte, van accident naar accident, alleen maar hinderde, werd hij neger en stond hij aan de rand van de afgrond. De laars van het mogelijke in het holle van zijn rug. En hij sprong. Hij moest springen. Zonder net: hij sprong uit het slijk der kennis in de bliksem van het weten.

Na Ingres werden naakt en vlees flauwekul.
Na Soutine landschap en modder rotzooi.

Werken is hypotheses maken (daar sluiten hoofd en zenuwen bij elkaar aan) en steeds weer opnieuw erkennen dat men zich vergist heeft. Luciditeit is juist: weten dat je in het drama van het bestaan, dus van de schilderkunst, alleen maar geboren en herboren wordt uit je eigen manifestaties. Daar heb je ze, de eenzaamheid. De eenzaamheid van de neger.

Verlangen is gebrek. Scheiding is verlangen.
Het verlangen begint na de blindmaking.
Er zijn er die verlamd raken door het zeggen. Hamlet is bij voorbaat verloren: hij is al gedood, dus tot stilstand gebracht, vóór de vader. Hamlet is de schilder die getiranniseerd wordt door het hoofd, niet in staat tot handelen, tot zwerven. Zijn denken verlamt zijn zenuwen. Hij is een gecastreerd schilder.
Alleen een wisselwerking van hoofd en zenuwen laat de schilder toe te zwerven in zijn verlangen, dus te handelen. Hamlet bevindt zich in een banale, onnutte eenzaamheid. Hij houdt stil voor hij nog maar begonnen is.
Er zijn er ook die door het doen worden misleid, zoals Oedipus voor hij werd blindgemaakt. Bij hem sloot de daad – de zenuwen – het denken, het hoofd uit. Het zou van hem een al even slechte schilder gemaakt hebben. Een buikschilder. Maar Oedipus-schilder werd – dankzij zijn blindheid – teruggeworpen op de weg van de verlangen. Waar Hamlet, bij gebrek aan zenuwen, stilhoudt, gaat Oedipus, met Antigone, opnieuw op weg. Zijn ogen twee bloedkorsten (gat in kop).
Tenslotte stuurt hij zijn dochter (de gids) weg en vervolgt zijn route, eenzaam in zijn verlangen, gered door de vaststelling van zijn vergissingen, zijn daden. Nu zwerft hij. Zenuwenhoofd. Zijn afzien dwong hem te aanvaarden dat denken en doen –  hoofd en zenuwen – alleen maar samen handelen. Beide zijn aanwezig, maar zonder een juiste norm voor hun evenwicht. Eenzaamheid van de neger: Abel, de zwerver, de beweeglijke, slachtoffer van Kaïn, de roerloze.

En de angst? Is hij niet juist het signaal dat men zich op de weg van zijn verlangen bevindt? De angst van de schilder is het bewijs dat het doek onverwachts kan verschijnen.
De angst van de neger straalt. Maar hij zou te gronde gaan als hij er zich door liet verblinden.

Ik wil of kan niet begrijpen. Begrijpen ? als je jezelf er tenminste van kan overtuigen dat je begrepen hebt ? is slechts een gevoel van bevrediging. Nep. Een doek moet vooral niet begrepen worden; het zou je beperking, dus je vernietiging betekenen. Trouwens, de achterkant van het doek, zijn achterste, zijn billen, is altijd de melancholie. Onbegrijpelijk, melancholie.

Een doek is een delirium op een wit vierkant. Elk delirium is een – ongehoorde – poging jezelf opnieuw op te bouwen, een schijn van eenheid voor jezelf uit te vinden, jezelf te bewijzen dat je een totaliteit bent. Dat is een nooit voltooide, eindeloze taak; en je hebt moed nodig jezelf toe te geven: “Wij zijn in stukken.”
Na de scheiding begint de eenzaamheid. De neger ging zover dat hij van zichzelf scheidde. Wat valt er anders te schilderen dan de sublimatie van het gebrek? Het volstaat.
Eenvoud is veeleisend; het teveel is verboden.
Eenvoud bereiken is het grootste verlangen.

Wat te doen? Wat blijft er nog te doen?
Doorgronden. Niks anders: doorgronden. Maar wat dan?
De huid. De obsessie van wat er achter de huid van het schilderij gebeurt. De onzichtbare, maar verblindende aanwezigheid achter de verfmaterie doorgronden. En daarvoor tot een akkoord komen met de tijd. De tijd van het wachten vullen. Hier is een mensenleven, een schildersleven niet in tel. Het is slechts de prijs voor het werk. En dan nog moet de schilder er aan toe komen!
Er blijft hem alleen de splendeur van zijn schraalte. Schitterende schraalte. De verheerlijking van zijn fragiliteit. De open wonde die licht is geworden. Maar ook: de terugkeer naar Godot.

Enkel vanaf het ogenblik dat hij zichzelf schilderde, zag de mens zich als mens.
De neger schildert zichzelf.
Hij schildert ook de ander. Maar dat is eender: de ander is altijd alleen maar hem, de ander is altijd mezelf.
Een portret? Nee. Ook het portret zou een leugen zijn, een contract. Een norm. Een hoer. Elke norm houdt de terdoodbrenging in van wat hij uitsluit.

Blijft de icoon. Het beeld van geheel het zelf, dat geheel de ander is.
Het beeld van zichzelf (negersmoeltje, Philippe-smoeltje, Jezus-smoeltje) dat de spiegel wordt van la condition inhumaine in haar eindeloze pracht.
Een schilderij is altijd een reflectie, een reflectiemogelijkheid die geboden wordt aan hen die disponibel zijn, die zich durven toeleggen op het doorgronden en wachten.

Alleen het drama is waard om geschilderd te worden. De icoon is het beeld van het drama in zijn ongrijpbare eenvoud. De reflectie, een mogelijkheid van troost.
Binnengaan in de icoon is toevlucht vinden in de ruïne.
De mens die zich heeft geschilderd, en zich als schilderij heeft gezien, kan niet meer leven of sterven zonder dit vis-à-vis met de icoon, zonder zijn aanwezigheid in de icoon.
De neger biedt dat. Kunstenaar-priester, kunstenaar-monnik.
Hij offert zichzelf en de offerande arriveert, wankel, naderhand. Kwestie van generositeit.

In het schilderen, in het schilderij zoek ik een getuige op de weg van mijn verlangen. De icoon is mijn getuige, soms mijn getuigenis.
Verwondering is wat mijn zoeken voedt; en ik vind haar alleen maar voorbij de grenzen van het mogelijke, buiten de afgrijselijke verveling van het mogelijke, buiten de norm van het doenbare.
Nog een keer: homogeniseren is ter-dood-brengen en de norm zal nooit het toeval aanvaarden.

De mens is alleen tot herhaling in staat.

Niet alleen is het alledaagse (en hier wordt luciditeit een kwelling!) in zijn nooit eindigende reeks van onontkoombare handelingen slechts een eindeloze herhaling van de dood, maar ook het leven zelf, door dood omwikkeld, herhaalt zich onophoudelijk.
Maar tenzij men er een gewoonte van maakt, is de herhaling altijd weer nieuw. Elk icoon, elke herhaling van de icoon moet nieuw zijn.
Elk doek dat de neger schildert moet een nieuwe herhaling zijn. Elke steen waaraan de blinde Oedipus zich stoot is nieuw, al ligt hij daar al sinds de nacht der tijden.

De schilder heeft geen keuze. Hij moet tot een akkoord komen met de tijd.
Er is geen enkele keuze mogelijk. Een schilder kiest niet zijn doek, het doek kiest zijn schilder. De icoon, hem onbekend, komt naar hem. ‘Hoe herken ik haar?’ is de angstaanjagende vraag die hij zich dan stelt, terwijl hij op zijn nagels en penselen bijt.
Wachten. Hier moet de schilder tot een akkoord komen met de tijd. Een dringend probleem. Urgentie dwingt. Het doek heeft lak aan de tijd en de tijd wreekt zich daarom op de schilder.
Eén enkel icoon kost al gauw een schildersleven.

Onderweg, een engel: het toeval.