Dagboek (2000)

Ik ben geboren in een waardeloos land met waardeloze ouders die een waardeloze taal spraken en mij een waardeloze naam gaven.

En ‘waardeloos’ is hier een eufimisme, het ging om waardeloosheid die in zich een destructieve kwaadaardigheid en vulgariteit droeg die alles en allen vernietigde of poogde te vernietigen die zich aan haar trachtte te onttrekken.

Het was een poel stinkend en zuigend vuil, waar eens ingedompeld de reddende oever bijna onmogelijk te bereiken was.

En mocht je ooit de oever bereiken, dan was de uitputting zo groot, de verwonding zo diep, de verminking zo groot, dat daar de overlevingskans gering was en je moest beginnen te leven door te genezen i.p.v. te bloeien.
En de genezing kwam nooit en op de oever bevonden zich andere vijanden, waartegen ge bovendien ongewapend waart.

Wie kan me redden?