Dagboek (ca. 1981)

Ik ben 29 jaar en 10 jaar met schilderen bezig; 10 jaar om tot een defiguratie te evolueren, een abstractie zonder commentaar.
Schilderijen hebben geen commentaar nodig.
Ze blijven staan of niet. Ze beantwoorden aan eigen onveranderlijke esthetische wetten.
Ik ben schilder; ik weet niet wat mijn doel is; alleen: ik sta voor het doek en bewijs dat ik leef.
Ik wil geen verhalen zien; ik wil niet afgeleid worden door denkspelletjes, jokes, bedenkingen, engagementen of ander camouflage steriel gedoe. Ik tracht een schilderij te maken dat plastisch op zijn poten staat en dat mij uitdrukt in mijn totaliteit.
Intelligentie is de destructie van de komedie, schilderen is het ook

Ik schilder per reeks schilderijen vertrekkende vanuit hetzelfde motief.
Soms neem ik bewust een motief – iets dat me in het dagelijkse menszijn raakt – dat motief wordt dan de aanleiding tot het schilderen.
Soms verschijnt het motief later en dringt het zich op tijdens het schilderproces.
Bepaalde impulsen zoals erotiek, agressie, angst zullen de plastische werking beïnvloeden. Ik confronteer de werken voortdurend met elkaar; zo tracht ik plastisch tot een uiterste te gaan; soms gebeurt er iets, soms is het weken lang ploeteren.

Ik benader werken instinctief en intuïtief: het kan maanden duren voor ik een schilderij accepteer of verwerp.
De daad van het schilderen is belangrijk voor mezelf, bevrijdend, therapeutisch. Het geluk om een goed werk – een oplossing – is kortstondig.

Schilderen is een pijnlijke afwisseling van hoop en wanhoop, vernietiging en scheppen, zinsverbijstering en luciditeit.

Er is geen nooduitgang.