De zeven tochten naar een Heilig Graf (1995)

De wereld is een lunapark (en God houdt er de schietbarak).
En de schilder kijkt: de berg, de zee, het bloed, God en zijn engel, het vuur, de liefde, het paradijs, de angst, het vallen, de lust, de rots, de dood, de weg, de wonde, de ziel, de storm en het schip.
En hij ziet: de berg in de zee, het water is bloed, de rots is vuur en de engel valt, God is verborgen en het paradijs is mislegd, het schip in de storm, de liefde is lust en de angst is een tang, de weg is gebocheld, de dood blaast in de nek, de wonde is steeds vers en de ziel, tja de ziel… en hij denkt: de wereld is een lunapark, elk kraam geeft een rondje en niets is doodgewoon en hij schildert het lunapark een beetje knarsetandend en hij denkt: wat een hoop rommel hier en verbergt God zich daarachter?

En de schilder denkt: laten we de voorkamer der dingen schilderen terwijl we rommelen in de achterkamer op zoek naar datgene dat we zolang geleden mislegd hebben, zolang geleden dat we niet meer weten wat het was, wat het is, laat staan waar het ligt en we noemen het: het mysterie en de zoektocht ernaar redt ons al een heel klein beetje en trekt onze pootjes een heel klein beetje uit de modder, nader tot U, nader tot U? U? Wie bent U? En waar tussen al deze rommel hebben we U mislegd?

En de schilder denkt, loerend naar het grote zwarte gat dat zijn ziel is: welke vragen kunnen we stellen? En het schilderij antwoordt: tak! en hoe? En de schilder kijkt verveeld en God geeuwt verborgen achter al ‘t gerief en de schilder kijkt naar het schilderij en ziet er de beeltenis in van de niet uit te spreken vraag en dé schilder denkt: de onmogelijke vraag schilderen, is als lopen op de zee: je moet achter de horizon gaan kijken!

Het schilderij is een knaagdier: het knaagt aan de schilder die het niét schildert en knaagt aan de schilder die het wél schildert. Het schilderij mikt op de schilder zoals de jager op de haas en de jager toont zijn gelaat pas na de jacht, komende uit het duistere en natte struikgewas. Het schilderij is dus een knaagdier en de wereld is een lunapark en de schilder dan? Een zwart wolkje drijft boven de schilder. Komt dat wolkje uit de schilder gedampt? Uit zijn knarsetandend gemoed? Of werd dat wolkje hem gezonden, ja geschonken van Hogerhand? In ieder geval, hij geraakt het niet kwijt, hoe het ook zijn zwarte regen over de schilder uitstort, het wolkje blijft; het schilderij is een knaagdier, de wereld een lunapark en de schilder? De schilder is de man onder het zwarte wolkje.

En de schilder wandelt langs de zee en hij denkt: dit is de zee niet; en de zee zevert wat aan zijn voeten en hij denkt: neen, dit is het achterwerk van de oneindigheid, een traan van de gevallen engel, een vochtige stuip v66r de grote geboorte etc… en hij denkt en hij schildert de zee en hij legt zijn penseel neer en hij kijkt naar het doek: het schilderij is leeg op een lange horizontale lijn na, die haar in het midden deelt en waarachter de oneindigheid van het mysterie giechelend haar tong uitsteekt.

En de schilder, die een mens is en aldus naakt, zegt: geef me een zekerheid, ik ben de schilder en de schilder schildert zeker; en het schilderij zucht diep en serveert hem eens te meer al zijn onzekerheden, keurig of slordig – het maakt niets uit – gerangschikt binnen haar lijnwaden vierhoek; en ze zegt: schilderen is de zekerheid de onzekerheid te kunnen duiden en de schilder denkt: o mijn God, ben ik hier dan helemaal alleen?

En de Dood, die unieke doodgewone, staat achter of naast de schilderende schilder en prutst met haar knokig vingertje in zijn karmijnen verf; het maakt de schilder zenuwachtig en wat korzelig merkt hij op: dit is geen rimpelcrème en blaas zo niet in mijn nek en ik heb te weinig tijd en… ; en de Dood, hem giechelend strelend in zijn kruis, zucht: ach lieveling, te weinig tijd… wees niet zo stroef, een vinger van mij in de verf doet haar trillen op het doek.

En de schilder zegt: ik neem de weg van de schilder: viervaksbaan en prachtig geplaveid en zo wijd en zo leeg als het hart van God; breed gaat hij op stap en merkt niet de spiralen gang van zaken en de viervaks wordt al gauw een weggetje en het weggetje al gauw een pad, overwoekerd met veel onkruid en takken en gespuis en de schilder raakt verloren en vastgelopen en scheurt zijn vel aan de vele doornen en hij morst met zijn verf en zijn doeken scheuren zoals zijn vel en kwaad schildert hij op het doek een grote rat en God lacht en zegt: dit is pas humor, soms ben ik viervaks, soms een doornen pad.

En de schilder denkt: te maken is het schilderij van en over het grote verlangen en het schilderij van en over de grote afschuw en alles wat ertussen ligt, t.t.z, veel is dit, te veel voor de schilder en moedeloos schuift hij zijn kleuren en penselen weg en schrijft op het reeds beduimelde doekje in zijn groot hanig houtskolen geschrift de letters: verlangen en op een ander evenreeds beduimelde doekje: afschuw en plaatst de twee schilderijtjes naast elkaar en kijkt en denkt: misschien is dit al meer dan voldoende, misschien is dit al teveel, misschien misschien misschien is een groot machien.

En men vraagt u: kent u de droom van de schilder, de droom van het grote verdwijnen? En kijk: de schilder tobt voor het witte doek en legt tenslotte zijn penselen neer, trekt zijn verfgevlekte bottines uit en stapt op zijn kousenvoeten het witte canvas binnen zoals u een spiegel zou binnenstappen en het wit sluit zich om hem als een plas melk en zie, daar is ze dan: de eenvoud waar hij zolang over gedaan heeft.

Philippe Vandenberg, 1995.