Le triomphe de l’accident (2006)

1 januari 2005

Trauma’s van jongsaf aan hebben mij naar het schilderen gedreven. Op zo’n intense manier tenslotte dat mijn gehele leven het schilderij werd.
Het schilderij werd als ‘t ware niet alleen geprovoceerd door het trauma, maar er ook door gevoed, in zo’n mate dat het trauma bijna noodzakelijk was om terug in de verrukking van het beeld te regenereren.
Mijn leven werd dan ook een opeenvolging van trauma’s en conflictsituaties die ik telkens ‘pareerde’ met het beeld. De angst kon alleen via het werk getemperd worden.
Het is een verdraaid verknipte situatie, want tenslotte kwam ik in een vicieuse cirkel terecht van een trauma dat leidt naar het schilderij, maar provoceerde ik tenslotte niet het trauma om tot het schilderij te komen? Ik bedoel: overviel mij het trauma bv. door conflictsituaties, marginaliteit, onaangepastheid aan het conventionele of zocht ik het tenslotte op om te zien hoe het schilderij er dan ging uitzien? Ik kan alleen constateren dat mijn werk mijn leven geleid heeft, en mij in dit leven tot beslissingen en daden heeft toegelaten en gestuurd die ik anders nooit aangekund of zelfs aangedurfd zou hebben. Het conflict was aanvankelijk de initiatie tot het beeld, maar dit conflict heb ik tenslotte blijvend nodig om tot een oeuvre te komen.
Heerst het conflict over mij, of integendeel, provoceer ik het conflict omdat ik alleen in conflictsituaties in staat tot creatie ben.
Het conflict, het trauma, dat eruit voortvloeit, de onrust die ermee gepaard gaat, en de onschuld die moet ‘herkocht’ worden zijn zovele moeders van het oeuvre.
Het schilderij − het beeld − heeft me opgevoed en niet een systeem, familiaal of maatschappelijk. Het heeft me ook geleerd aan het al dan niet bewust geprovoceerde conflict te ontsnappen door gestadig van beeld te veranderen. Ik lijd aan wat ik zou noemen een ontsnappingssyndroom. Mijn oerangst is niet de dood, maar wel gegrepen te worden door het leven en tot de immobiliteit van een systeem dat mij beperkt gedwongen te worden. Mijn obsessie is ongrijpbaar te blijven. Op het slagveld worden immobiele doelwitten gemakkelijk uitgeschakeld.
Zo gebeurt het dat ik ook in het œuvre het volgende werk maak om aan het voorgaande te ontsnappen en navenant gebeurt dat ook in een conflictsituatie die zodanig traumatiserend kan zijn tot ik tot een totale vernietiging van werken die mij uit trauma’s geholpen hebben, moet overgaan om de nieuwe conflicten en trauma’s te kunnen pareren met nieuwe werken.
Wat la lutte contre le système betreft, ben ik pas later tot de constatatie gekomen dat juist het aanvallen van de opgedrongen waarden waarop een sociaal, familiaal of zelfs artistiek systeem gefundeerd zijn, tenslotte, na een aanvankelijke ‘ondermijning’ met de bedoeling de grenzen die ons beperken te overschrijden, i.p.v. het systeem uitschakelen het juist sterker maken, aangezien de grenzen verlegd worden door mensen die tegen al de mogelijke regels in nieuwe wegen openen, nieuwe terreinen blootleggen, die het systeem gretig accapareert, en zelfs zal ze haar aanvankelijke tegenstanders tot haar eigen ‘opbouwers’ verheffen.
De maatschappelijke orde is steeds bezig zich continu te herstellen en uit te breiden terwijl de anarchie erop uit is haar te annuleren. En juist die anarchie zal een nieuwe, of vernieuwde orde creëren, met alweer grenzen, limieten, etc…etc… Vandaar mijn ontsnappingssyndroom. Ik ben tot de conclusie gekomen dat dit een eenzame poging is, ik bedoel enkel een individu, hier en daar, zal er min of meer in slagen te ‘ontsnappen’. Het is een levensvullende bezigheid, waar je verdomd taai moet in blijven om het vol te houden, want je bent fragiel.

***

Schilderen is concluderen, tot constataties komen dat je niet, nooit ver genoeg gaat. De realiteit haalt niet alleen mij in, ze is me voor.
In die zin kan kunst slechts een bijna −abstract− metaforisch beeld creëren van haar tijd.
Een schilderij over de verschrikking, is niet het verschrikkelijke net zoals de pijp van Magritte geen pijp is.
Wat is de hel van Bosch vergeleken met de reportage beelden van de slachtingen in Afrika?
Wat is Guernica anders dan een prachtig schilderij over een verschrikkelijk fait-divers, waarvan de reële beelden wellicht van een onbekijkbare gruwel zullen geweest zijn, terwijl we genieten van het prachtige meesterwerk dat Picasso erover schilderde.
Daarom denk ik dat het vrij zinloos is, zelfs onmogelijk ‘de werkelijkheid’ te schilderen, zich baserend op de realiteit, maar misschien wel via een omweg die uithaalt naar die realiteit, haar omzeilt, zonder dat ze me grijpt.

Trouwens de gruwel die ik op sommige werken trachtte te vatten hadden meer met intieme ‘inwendige’ conflicten en slagvelden te maken (waar anderen zich weliswaar in herkennen) dan met een groot medelijden of generositeit met en tegenover de condition humaine. Zo bekeken beschouw ik me, toch vrij schaamteloos, als een loser, een schilder voor geschopte negers en schurftigen. En helemaal geen verbeteraar voor de mensheid en haar situatie waar geen reet mee aan te vangen valt, buiten de drang naar immobiliteit en de terechte ondergang ervan te constateren.

***

Natuurlijk werken we van mislukking naar mislukking, van accident naar accident. Tenslotte leeft de schilder onder de scepter van het triomferend accident. Sous le triomphe de l’accident. En natuurlijk brengt mislukking schuld, en moet een nieuwe poging ondernomen worden om de schuld ‘weg te schilderen’, wat de zaak heel complex maakt, aangezien de aanzet van het schilderij dat wellicht zal mislukken al de conflictsituatie, het trauma, de hoge nood aan onschuld is. Het schilderij dat het trauma moet pareren creëert een nieuw trauma enz… En alzo komt er een moment dat luciditeit paranoia wordt, of omgekeerd natuurlijk.

***

Een werk is altijd communicatief bedoeld. Deze situatie is heel ambigue. De aanvaarding of de afwijzing wordt dubbelzinnig ervaren. Ik zoek natuurlijk naar de disponibiliteit van ‘een ander’ aan wie het werk ‘te laten zien’ en in die zin is de afwijzing dan pijnlijk.
Anderzijds woekert een enorm wantrouwen in mij bij al te lauwerende acceptaties door een buitenwereld waarmee ik al bij al op voet van oorlog leef.
Als je vijanden je gaan bewonderen, ben je verkeerd bezig. Tenslotte schilder ik ook ‘tegen’.
Maar, in een rest van sentimentaliteit dat gelukkig in mij uitsterft gelijk het leven zelf, blijft er het kind dat bemind wilt worden ondanks zijn nukkige ongehoorzaamheid, slechte manieren, wat ik zou noemen malgré soi.
Uiteindelijk is mijn leven één en al fabricage van onschuld, a never ending story, maar wat ook een contradictie is aangezien mislukking schuld brengt maar de constatatie en het lucide analyseren van de mislukking, het aanvaarden ervan, al een ‘absolutie’(een vergeving?) in zich houdt.
Het enige wat me tot hiertoe gelukt is, is die constatatie van de mislukking en het, omwege van de onschuld, dwangmatig herbeginnen met de dreigende woorden in mij gegrift: l’aboutissement, c’est déjà la doctrine, le dogmatisme (cfr. Montaigne Essais et experience).
Ik speel graag met het idee dat ‘de staat van onschuld’ −het proberen onschuldig te blijven al een minimum van verhevenheid, hoop en misschien waarachtigheid bevat. Maar die omsingeld door levensbezwarende artefacten− de zogezegde morele waarden (zoals bv. consequentie, integriteit, trouw, verantwoordelijkheidszin etc.) onbereikbaar blijft, laat staan op een duurzaam voltijds ritme te behouden. Alzo wordt de onschuld van het schilderij ook slechts een ideaal, een metafoor.

***

Vernietiging schept ruimte. In die zin voel ik me −belachelijk moreel− verplicht zoveel mogelijk van wat ik ‘teweeg breng’ te vernietigen, te annuleren.
Het idee achter mij, door mijn ‘schuld’, nog meer materie te veroorzaken, nog meer ellendige troep achter te laten is ondraaglijk.
Vandaar dat ik het gros, van wat ik nogal kwakerig mijn oeuvre noem, met een niet te versmaden genot vernietig.
En dit gebeurt, niet gevrijwaard van de pretentieuze hoop, alleen het noodzakelijke te bewaren. De werken waar nood aan is.
Maar wat is het noodzakelijke? Waar situeert zich de urgence en wie zit daarop te wachten? Wellicht zijn vele daden van vernietiging van een grotere creatieve waarde dan de ‘scheppingen’ zelf.
Tenslotte is het vernietigen ook een ontsnappingstactiek.
Nogmaals: vernietiging schept ruimte.

***

Vanaf het begin, reeds kind of nog maar kind, heb ik getekend en geschilderd uit verzet, uit weigering.
Dit verzet kan ik niet specificeren tegen een bepaald iets of iemand; neen, het is een tegenkanting meer tegen de vijand in mij −l’ennemi intérieur− dan tegen diegene die me omsingelde en in een keurslijf trachtte te dwingen dat me verstikte, kortom een verzet tegen een malaise, een exile-gevoel in mezelf verhevigd door de dwingelandij van het quotidien en zijn algemeen aanvaarde evidentie.
Een soort gevoel van steeds in een WAR ZONE te vertoeven en hieruit trachten te ontsnappen maar niet zonder duidelijk te maken: de absolute weigering van wat van mij verwacht werd, en de manier waarop men dit trachtte op te dringen door vorming, opvoeding, studie, kortom kneding.

Dit verzet durf (of kan) ik niet op een andere manier realiseren, dan in het werk.
Wat resulteerde in het feit dat −later− mijn visie op de kunstgeschiedenis bepaald werd of misschien zelfs beperkt werd tot het opzoeken van kunstenaars die vanuit dezelfde ‘nood’ gewerkt hadden, hetzelfde verzet.
Natuurlijk hoop ik ‘gelijkgestemden’ te bereiken, door wie ik niet afgewezen zou worden.
Van de overigen ‘de vijand’ eis ik de afwijzing.
Natuurlijk keek ik intens naar het licht van Vermeer, naar de kleurige analyses van de kathedralen van Monet, de pracht van Van Dyck’s portretten, de kubistische structuren van Picasso, maar dat was meer om hun trukendoos open te wringen, waaruit ik dan met overgave kon stelen, maar bij velen vond ik niet wat ik echt zocht. En tenslotte wist ik, besefte ik de waarde van wat ik er vond, maar kon niet echt definiëren wat ik juist zocht om via die verworvenheden vorm te geven aan mijn onrust, mijn intranquilité. Zij waren de aanvaarden, de grootmeesters van een systematisch geklasseerde kunstgeschiedenis. Mijn echte meesters vond ik onder diegenen die te ver gegaan waren, diegenen die niet ‘beantwoord’ hadden, de extremisten, diegenen die ‘de vijand’ een eigenzinnig en ontzettend beeld voor de ogen hielden. Zij die ontsnapten aan de norm. Hetzij in hun gehele oeuvre en bestaan, hetzij in een bepaalde periode van hun kunstenaarschap. Goya, Munch, Soutine behoren tot het eerste soort, Picasso, Pollock of Philippe Guston tot die tweede soort maudits. Tenslotte heb ikzelf er nooit voor gekozen kunstenaar te zijn. Dat was toch een groot fundamenteel verschil aan de basis.

***

2 januari 2005

Het was en is voor mij onmogelijk −in het dagelijks leven− niet in de oppositie te functioneren, denken, werken. Mijn biotoop −filosofisch dan− is de subversie.
Mijn soms hortende evolutie, mijn op het eerste gehoor schijnbare tegenspraken, het extremisme van mijn keuzes zijn natuurlijk gelieerd aan mijn obsessie om in beweging te blijven, niet vast te slibben in verworvenheden, verwachtingspatronen zowel van mezelf als van buitenaf, vooropgestelde structuren die het ‘avontuur’ uitsluiten, wat een overwinning van de vijand zou betekenen. Alleen als ik beweeg kan ik niet gevat worden. Een stilstaand doel is een gemakkelijk (te treffen) doel.
Ik tracht ononderbroken aan elk beeld dat zich als ‘t ware installeert in het oeuvre te ontsnappen, aan de beklemming van het door mij aanvaarde, vanwaar de vele breuken in de rode lijn die zich door het œuvre slingerend beweegt. Ik wil alleen het waagstuk, zonder garanties, het gokken met de totaliteit van mijn zijn als inzet en alle toevalsfactoren die hier bij te pas (en dus te onpas) opduiken en die ik kan weigeren of gebruiken, maar met een op zichzelf bestaande vrijheid, die ik niet ken. Ik ken trouwens geen vrijheid. Ik ken de vrijheid niet, ik ben niet vrij aangezien ik haar niet kan definiëren en ze gestadig van inhoud en gedaante verandert.

***

Ik twijfel of iets als evolutie, zoals we het woord concipiëren, wel bestaat. Ik bedoel de evolutie die gestaag en verantwoord zich van het ene werk naar het volgende sleept.
Ik vraag me af of ik niet vernietigend en ontsnappend van de ene ruimte in een andere ‘spring’ en daar iets vind en gebruik (het maken) dat wel nog de verre reminiscentie heeft met al het vorige, maar er zich tegelijkertijd tegen verzet en zijn eigen gang gaat. Een botsingen-evolutie…Ik zou kunnen schrijven dat schilderen is: het verder onbruikbaar maken van gebruikte codes door er nieuwe in te voeren, gestadig.
Ik wil niets verwerven, ik wil niets veroveren, ik wil niets bezitten. Dit alles zou me alleen maar ten laste zijn.
Moed is voor mijzelf niet de voor de hand liggende verantwoordelijkheden dragen (assumeren) maar eerder zichzelf van díe verantwoordelijkheden ontslaan die de essentie van het zich in positie stellen, (en die positie steeds ‘verzetten’) deïntensifiëren en verwarren.
Zogezegde wetmatigheden zoals moraliteit, rechtvaardigheid, zijn hersenspinsels van de mens in de val van zijn situatie, waaraan hij zich vastklampt om de realiteit trachten te bepalen zonder de werkelijkheid te willen of durven (in)zien.
Die wetmatigheden bestaan gewoon niet, net zoals God, dat uitvindsel, dirigent van ‘t leugenorkest. En dit telt ook voor de schilder: integriteit, consequentie, talent, zoektochten naar onbeduidendheden als schoonheid of waarheid komen hier niet aan te pas.
Kunst is amoreel en anti-institutioneel en laat me gemoedstoestanden, bedenkingen en daden simuleren die bij concrete uitvoering ervan in de sociale context als misdadig, immoreel, crimineel en subversief beschouwd worden.
Natuurlijk ben ik gefascineerd én adept van de zogezegde subversieve kunst, maar ben er mij van bewust dat het bij simulatie blijft. Het zijn metaforen voor een ondermijning van het systeem (of de systemen) die praktisch nooit concreet −ik bedoel in daden− uitgevoerd worden.
Het tegenovergestelde gebeurt, want op een listige manier, zal het systeem waartegen deze kunst zich verzet en op haar manier ageert haar commemoreren, tot sacralisatie toe, wat haar tenslotte castreert en ongevaarlijk maakt.
Ik beken de moed niet te hebben om de anarchie en de subversie die ik in mijn werk suggereer daadwerkelijk tot in het extreme uit te voeren, alhoewel het werk me toelaat daden in mijn dagelijkse leven te stellen en attitudes aan te nemen, waar ik anders nooit zou aan toe komen.
Kunstenaars zijn tenslotte, wellicht niet in de context van hun creaties, maar op het vlak van ingrepen in het dagelijkse wereldgebeuren eveneens lafaards en de zogenoemde moed die ze tentoonspreiden via hun keuzes van bepaalde beelden, zal nooit de draagwijdte hebben van een politieke aanslag of een daadwerkelijke aanval op de gevestigde orde.
Kunst zal de wereld niet veranderen, maar − en dat is belangrijk − ze kan een beeld scheppen van de veranderingen. Vanwaar mijn conclusie dat kunst nooit vóór is op ‘haar’ tijd, want bijna onmerkbaar, onzichtbaar, depasseert de werkelijkheid, en zelfs de realiteit alle ‘fictie’, alle kunst.
Guernica is een meesterlijk, in fragmenten geordend, beeld van de gruwel, maar wat zien we van de gruwel die moet plaatsgevonden hebben in de massacres van het stadje Guernica: een schilderij ‘erover’, die ons meer beroerd door de artistieke genialiteit ervan dan door de realiteit van ‘het gebeurde’, wat er reëel gebeurd is.
Het blijft een confrontatie met een schilderij. De gruwel ter plaatse tijdens ‘het gebeuren’, het meemaken ervan, (zelfs documentaire beelden ervan) zullen eindeloos schokkender, onaanzienlijker en zelfs ingrijpender zijn dan het prachtige schilderij erover.

***

De werkelijkheid ontsnapt zelfs aan de meest lucide kunstenaar. Wat hij maakt zullen slechts benaderingen, evocaties kortom een soort ‘spielereien’ zijn op het thema: de werkelijkheid en de vraag: ‘wat is reëel’.

***

3 januari 2005

Ik merk op dat wat mijn levensloop bepaalt en mij van kindsbeen af naar het beeld dwong de confrontaties waren zowel met een intieme als met de externe wereld, aanvaringen die ik hier ‘gevechten’ zou noemen.
Enerzijds zijn er de ‘basis’ gevechten die ik −al weigerde ik ze− gedwongen werd aan te gaan, gedwongen door ‘natuur’machten waartegen geen bestand mogelijk was. Ik noem ze de basisgevechten, een hachelijke onderneming om mezelf niet alleen instinctief in leven te houden, maar ook om voor mezelf een levensloop op te bouwen.
Anderzijds metamorfoseren zich die ‘basisgevechten’ in gevechten ‘om stand te houden’, het worden compensatiegevechten en onderhoudsgevechten.
Het onderspit delven in een ‘basisgevecht’ is een definitief verlies. Een jeugdtrauma blijft levenslang. Dat zal de aanleiding zijn tot onderhoudsgevechten (of zelfs bevestigingsgevechten) die onderbroken hernomen worden (in mijn geval bij de gratie ook van het schilderij, het beeld). Maar hoe vaak ook hernomen, geen enkele overwinning in een onderhouds- of compensatiegevecht zal de ‘verloren’ basisgevecht compenseren.
De gevolgen van de verloren basisgevechten zullen, hoe talrijk nieuwe overwinningen op welk vlak dan ook, nooit gecompenseerd of geëlimineerd kunnen worden.
Maar het ‘niet proberen’ veroorzaakt alleen maar een bevestiging, en een vermeerderen van de basistrauma’s, met al het leed van dien.
Alzo ben ik tot de constatering gekomen dat de loutering door het ‘geslaagde’ of reële schilderij slechts tijdelijk is en uiteindelijk niet grondig, ondanks een momentele doeltreffendheid en steeds hernomen dient te worden.
Het schilderen bood me een problematiek waarmee ik de chronische malaise van het − onmogelijk te genezen − trauma kon omzeilen door de confrontatie met een accuut malaise − eigen aan elk creatief proces− en waarmee ik door het bijna toevallig ‘oplossen’ van het schilderij en haar problematiek het oorspronkelijke verloren basisgevecht even kon pareren, maar nooit definitief.
Hier ‘speelt’ het schilderij haar rol als pijnstiller, als surrogaat, waar ik tenslotte aan verslaafd ben, zoals aan alle andere middelen die een ‘absence’ opwekken. Want de aanwezigheid in het schilderij impliceert de afwezigheid elders: het elders ‘buiten het schilderij’ waar de eisen van het leven buitenissig, onmenselijk en onvervulbaar zijn.
Bijgevolg, hoe ‘gelukt’ het schilderij ook is, de mislukking blijft onaangeroerd wachten buiten.
Maar dat kan ook het bewijs zijn dat het creatieve gebaar alhoewel als tegenstrever, als tegenpool, onlosmakelijk met het leven tout court en haar anekdotiek verbonden is.

***